“WIJ ZIJN DE DIJK…

 

Afgelopen woensdag hoorden we de voorlopig laatste coronaspeech van onze minister-president Mark Rutte. Jazeker, ik mag Mark zeggen. Dit, in navolging van de ‘versoepeling’ die eind jaren negentig van de vorige eeuw door het NOS-journaal sluipenderwijs werd ingevoerd, om hoogwaardigheidsbekleders voortaan met (niet bij!) hun voornaam te noemen. De journalisten spraken hem woensdag bij het navolgende interview overigens keurig aan met ‘meneer Rutte’…

 

Er was woensdag niet veel nieuws te melden, behalve dat de versoepeling twee maanden vervroegd werd. Goed nieuws. Wel was ik benieuwd naar de manier hoe hij de teugels zou laten vieren, én tegelijk ze vast te houden. Want als de teugels waslijntjes worden, gaat het paard er vandoor…

Nou, dat laatste kwam bij mij binnen. Meneer Mark gebruikte namelijk een metafoor. “Een wát?”

“Een méé-táá-fóórrr, Berrrt!”, aldus Ernie in zijn smeuïge Haagse dialect.

“Dât is beeldsprrrâak. Je gebrrrêukt dan een voorrrbêeld om iets dêudelijk te mâeken!”

 

Nou, en wát voor beeldspraak Mark deze week gebruikte. Ik werd er helemaal warm van.

Het sprak mij meteen aan, en dat zal niemand verbazen. Hij vergeleek het coronavirus namelijk met het water, dat ons land voortdurend bedreigt. “Zeg niet, het water is weg, dus haal de dijken maar weg!” aldus Mark. En toen kwam het.

Toen kwám het!

 

“Wij zijn de dijk!”

 

Geweldig, toch?!

Hollandser kan het niet! Meer poldermodel dan dit heb ik niet eerder meegemaakt.

En daar mogen we best trots op zijn. Fier, zeggen onze zuiderburen. In de achterliggend eeuwen hebben wij het water toch maar fors terug weten te dringen. De Noordzee en de Zuiderzee in. Met molens (Kinderdijk!), sloten, kanalen, vaarten, afgravingen, én natuurlijk… onze dijken.

En dat moet ook wel. Zonder dijken hebben wij niet alleen natte voeten, maar komt het water spreekwoordelijk tot aan de lippen. Spreekwoordelijk, want het gaat gewoonweg over ons hoofd heen. Afhankelijk van waar je staat dan, natuurlijk.

 

Want in de Zuidplaspolder ga je helemaal kopje onder. Langs de A12, tussen de afrit Nieuwerkerk en Moordrecht staat namelijk een landpaal, die het laagste punt van Nederland aangeeft. Niet minder dan zes-meter-acht-en-zeventig – of is het zeu-vun-tug, die landpaal staat immers in de Randstad?! – beneden Normaal Amsterdams Peil. Het NAP is de gemiddelde waterstand van de Noordzee, nul meter dus. Hoewel ik me kan voorstellen dat met smeltende poolkappen je dat voortdurend moet bijstellen, en wellicht moet spreken van het ‘nieuwe normaal’.

Als je een touwtje spant van die paal in de polder naar het Drielandenpunt bij Vaals – onze top met niet minder dan 322,38 meter bóven NAP – dan kunnen we in Nederland met zo’n 330 meter nog flink tokkelen ook.

 

“Wij zijn de dijk!”zei de minister-president deze week.

Ik vroeg mij wel af, welke dijk hij nu precies bedoelde. Want je hebt dijken en dijken. Toen hij dat zo vol overtuiging zei, keek hij mij namelijk recht aan. Eerlijk, ik voelde mij persoonlijk aangesproken door Mark. En dat mag. Hij is per slot van rekening minister-president. En dan mag je iemand persoonlijk aankijken, tot in de huiskamer.

 

Nu kent Nederland zowel binnendijken als buitendijk, waarbij sommige met van en andere zonder van worden geschreven. Alsof Mark het wíst! Daarnaast hebben we zomerdijken en winterdijken. De laatste twee vinden we bij de rivieren met zijn uiterwaarden, die het smeltwater in de winter (vandaar winterdijken) opvangen bij hoogwater. De eerste twee – mijn naamgenoten dus – vinden we aan de kust of bij die steden die aan grote wateren liggen, zoals Amsterdam aan de toenmalige Zuiderzee.

 

Een binnendijk, zo las ik overigens, is een dijk die, zolang de buitendijk het water keert, geen dienst behoeft te doen. Een soort parttimer, dus. Maar wél nodig als het water over de rand komt.

Enfin, het is maar een mee-taa-foorrr…

Mark keek mij, toen hij dat van die dijk zei, indringend aan! Alsof hij wist, wie hij voor zich had. Want mijn vroede voorvader Reiner van Binnendijk (omstreeks 1760), getrouwd met Anna Geertruida Jongbloed, woonde namelijk aan één zo’n binnendijk in de buurt van Amsterdam, waar in 1790 zijn oudste zoon Petrus werd geboren. Petrus had een dijk van een baan: winkelier en kuiper. En of dát zoden aan de dijk zette…

 

Toen ik in 1991 als pastoraal werker in het Thoolse dorpje Stâlland woonde, en op een zonnige zomerdag mijn fiets aan de dijk zette (figuurlijk dan, ik moest ook weer terugfietsen) en daar een tijdje boven op de buitendijk in het gras zat te genieten van het uitzicht over de Krabbenkreek, kwam een jonge catechisant vanaf de Molendijk voorbijgefietst. Toen hij mij boven op die dijk zag zitten, riep hij mij guitig toe, in dat heerlijke, smeuïge Thoolse dialect: “Kiek, kiek, dûn Binnûndiek.”

Onvergetelijk…

 

Water en dijken. Hollandser kan het niet.

Met een koning, die ooit waterprins was, maar deze benoeming toch maar aan de dijk heeft gezet.

En een minister-president die met zijn woorden mij weet te raken tot in het diepst van mijn Hollandse vezels: “Wij zijn de dijk!”

 

Dat staat als een dijk!

Of… was het… als een paal boven water?!

 

Het zingen de kerk uit…

Komende zondag zingen we nóg samen, en als voorzang koos ik Gezang 28. Niet zomaar een lied. Maar bewust gekozen vanwege die ene regel: “Wij hebben een sterke stad, een stad … waar men muziek maakt en zingt.”

We zien het maar als een voorlopige slotzang, voordat we op 1 juli niet meer mogen zingen. Of is het een voorzang die heen wijst naar betere tijd? Een roepstem, een geluid, om weer onbeperkt te mogen en te kunnen zingen?! Wat dat betreft zijn de tongen afgelopen woensdag wel weer losgekomen na de toespraak van de minister-president aangaande koorzang, kerkzang, blèren langs de lijn op het voetbalveld, en wat dies meer zij…

Misschien valt zingen ook binnenkort onder de versoepeling. De soep wordt immers niet zo heet gegeten, als zij wordt opgediend. Tenzij alles door een nieuwe coronagolf in de soep loopt.

Ik zou zeggen, laten we het alles maar met de nodige ‘souplesse’ rustig afwachten.

 

Pastoraat ‘online’

Mocht u of jij extra contact willen – of leeft u met bepaalde vragen? – dan kunt u mij altijd bereiken mailen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Of anders een belletje naar ouderling J.G. Wilts (06-555.557.02). Gelieve niet de voicemail van mijn huistelefoon in te spreken.

We denken aan elkaar, in het bijzonder zij die ziek zijn, of die zich eenzaam, verlaten of vergeten voelen. We bidden voor elkaar, zodat u en jij zegen ervaart. We houden vast aan de Hoorder van het gebed, Die gisteren en vandaag Dezelfde is, en tot in alle eeuwigheid, Die het beloofd heeft: “Ik ben met U, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.”

 

Vanuit de pastorie

Soms begrijp ik mijn bruingevachte langoor niet (ze was een tijdje weg, maar vanmiddag lag ze weer loom in de schaduw van de bomen, aan de zijkant van mijn oprit). Als ik gewoonlijk kom aanlopen, gaat zij er toch binnen tien of wat meter vandoor, al wordt de kring allengs kleiner (en het vertrouwen groter?) naarmate ze erachter komt, dat die tweevoeter geen konijnen-ideeën uit 1961 koestert (ik ben namelijk van bouwjaar 1963).

Rijd ik echter in mijn auto voorbij – in mijn optiek toch een groot zwart gevaar voor konijnen, die overigens zelf spreken van een rhududu (lees Watership Down [vert. Waterschapsheuvel] maar eens, een werkelijk prachtig boek!) – dan blijft mijn langoorvriendin gerust tot op een halve meter liggen! Bekant onder mijn wielen. Alsof het niks is…

 

Met een hartelijke groet vanuit de pastorie,

Ds. M.F. van Binnendijk